Is het waar?

Afgelopen week had ik een afspraak met Hannah, sinds een paar weken een van mijn clienten en we onderzochten het vraagstuk dat ze had meegebracht. Aan het begin van elk coachingstraject stellen we de probleemstelling en de doelen vast. Gedurende het traject ontdekken clienten elke keer weer een beetje meer over zichzelf. Je hebt vast wel eens gehoord over het afpellen van de ui, dat je bij elke laag die je afpelt een nieuwe tegenkomt. Zo werkte dat ook met Hannah. Sinds onze vorige sessie ontdekte ze dat ze telkens als op haar werk iemand met haar wilde overleggen, zij direct in de stress schoot. Want, zo ontdekten we, ze was ontzettend bang dat diegene vond dat ze haar werk niet goed had gedaan. Een verschrikkelijk stressvolle situatie natuurlijk, zeker als je bedenkt dat dit bijna dagelijks gebeurde.

Door het afpellen van de ui ontdekte Hannah dat ze altijd bang was tekort te schieten. Dat compenseerde ze natuurlijk door verschrikkelijk hard haar best te doen, waardoor haar angst voor afwijzing nog groter werd.

Voor Hannah hebben we 2 paden bewandeld. Het eerste was weer leren vertrouwen op de waarheid in zichzelf, daarover ongetwijfeld aan andere keer mee, maar het tweede is waar ik het hier over wil hebben. Altijd wanneer je iemand een uitspraak hoort doen waarin woorden als altijd, nooit, iedereen, niemand worden gebruikt, moeten je antennes gespitst raken. Zeker als je het jezelf hoort roepen. “Ik kan echt níemand vertrouwen!” “Ik doe het nóóit goed genoeg…” “Anderen denken toch dat ik níets kan”. Zulke uitspraken. Want niet alleen knagen dit soort uitspraken aan jezelf, ze zijn ook nog eens niet waar.

Ik wil je daarom uitnodigen je labjas aan te trekken en je vergrootglas erbij te pakken (een veiligheidsbril is in dit lab niet nodig). Ik wil je uitnodigen over dit soort uitspraken na te denken als een wetenschapper. Sociale wetenschappers nemen een theorie nooit voor waar aan. Soms wel als “voor nu niet verworpen”, maar nooit voor waar. Ze blijven altijd op zoek naar het stukje bewijs dat het tegendeel bewijst. En dat doen ze op 2 manieren. Ze bekijken de stelling zoals die er ligt, alle elementen en hun waarschijnlijkheid. Én ze gaan actief op zoek naar dat tegenbewijs. Als jij nou eens begint bij het ontleden van jouw stelling. Bekijk alle elementen op hun waarschijnlijk. “Écht? Doe je het NOOIT goed genoeg? Kan je geen enkel voorbeeld bedenken waarin je het wel goed deed?” En door jezelf antwoord te geven op dit soort vragen, kom je al meteen met je eigen tegenbewijs. Want natuurlijk kan je voorbeelden bedenken waarin je het wel goed deed, waarin je wel op anderen kon vertrouwen, waarin anderen wel lieten merken dat ze je bijzonder getalenteerd vonden.

Ik wens je een mooi onderzoek en ben reuze benieuwd naar wat jij ontdekt. Laat je me dat weten?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *